Los en vast
Diagnose: wandelende paradox
Bij de fysiotherapeut mocht ik me na een kort introgesprekje uitkleden. ‘Tot op je ondergoed. En hou je sokken ook maar aan, de vloerverwarming doet het nog niet.’
De fysiotherapeut is gevestigd in een tamelijk nieuw gebouw op de NDSM-werf, waar alle gebouwen tamelijk nieuw zijn. ‘We zijn nog niet aangesloten op stadsverwarming. Dat waren ze even vergeten tijdens de bouw.’
Pas nu ben ik me ervan bewust dat het hier koud is, zeker in je onderbroek en sokken.
Ik mag vooroverbuigen, naar achteren, mijn bovenlijf linksom draaien, rechtsom en moet dan gaan liggen. Last van mijn onderrug heb ik. Of had ik, het is nu weer weg. Maar het kan zomaar terugkomen, dat voel ik, en ik ben hier om erger te voorkomen. Het is gelukkig geen hernia, zoals sommige ervaringsdeskundigen suggereerden toen ze me in een hoek van 45 graden het schoolplein op zagen komen lopen, maar een vastzittende zenuw. ‘En als een zenuw vastzit, zit ie vast,’ zegt de fysiotherapeut Cruijffiaans.
Ik moet, zoals wel vaker, denken aan de grap van Louis C.K. dat artsen je niet meer helpen als je de 40 voorbij bent. Hij gaat met een pijnlijke enkel naar de dokter, die hem vertelt dat deze simpelweg ‘op’ is. ‘Your ankle’s worn out. It’s just shitty now.’
Toch is het niet alleen maar kommer en kwel. De fysio zegt dat ik een musculaire bouw heb die je ook bij atleten ziet (haar woorden). Ik ben geen atleet, zeg ik, maar wel gevleid. Door mijn bouw zal ik tot mijn 80ste vermoedelijk weinig breken, want de spieren vangen klappen op, maar ik word wel steeds stijver. Ik ben dus een soort superplank. Na je 80ste houdt het sowieso een beetje op, hoe musculair je ook bent.
Terwijl ik op mijn buik en met mijn hoofd in een gat op de behandelbank lig, krijg ik een korte uitleg over dry needling, een afgeleide van acupunctuur, waarna er naalden in mijn rug worden gestoken. Of ze droog zijn weet ik niet, maar wel scherp. De fysiotherapeut raakt precies mijn pijnlijke, vastzittende spier, waar nu kennelijk melkzuur uit stroomt. Als ik later flink spierpijn krijg is dat oké, zegt ze. Bewegen moet ik. Volgende week prikt ze me weer, maar dan ook in mijn billen. Vol verwachting klopt mijn hart.
Enigszins beduusd sta ik op, nog steeds in mijn onderbroek, maar inmiddels heb ik het bloedheet. Laat die vloerverwarming maar zitten, denk ik.
Ineens herinner ik me wat een andere fysiotherapeut tien jaar geleden tegen me zei, toen ik een knieband had ingescheurd tijdens een potje zomeravondvoetbal. ‘Volgens hem heb ik juist hele losse spieren en pezen,’ zeg ik. ‘Hypermobiel noemde hij me. Ik kan heel ver met mijn knieën doorzakken naar achteren, en ook met mijn duim de binnenkant van mijn pols raken.’ Ik laat beide moves zien en de fysiotherapeut, die toch het een ander meegemaakt moet hebben, wendt haar blik af. ‘Doe dat maar niet,’ zegt ze. ‘En je mag je kleren weer aandoen.’
‘Maar is dat niet tegenstrijdig?’ vraag ik haar. ‘Dat ik los en vast zit?’
‘Ja,’ zegt ze, ‘want je rug en heupen zijn zeker niet hypermobiel, maar stijf.’
Conclusie: ik ben een wandelende (want dat raadt de fysiotherapeut me aan) paradox.

